De outdoor methode : leren over werken en het organiseren van werk in
teamverband.
Bert Overlaet (hoofddocent K.U.Leuven)
Herman Wittockx (free lance medewerker Universiteit Nijenrode)
T.S. Eliot : we had the experience, but missed the meaning
Samenvatting :
Outdoor workshops worden op veel sceptiscisme onthaald, maar wekken
tezelfdertijd mateloos enthousiasme op. Dit heeft enerzijds te maken met een
aantal fantasie‘n die er m.b.t. tot de outdoor methode leven, en anderzijds met
het gegeven dat de gehanteerde methode een aantal traditionele concepten en
indelingen overhoop haalt, met name het opsplitsen van individu en functie; het
opsplitsen van de uitvoering en het organiseren van werk in teamverband; en het
opsplitsen van individueel leren en organisationeel leren.
Dit artikel beschrijft de verschillende ontwikkelingsdimensies die in
een outdoor workshop (kunnen) aan bod komen, en de proceselementen die toelaten
om het leerproces te sturen. Deze beschrijving toont mogelijkheden die de
outdoor methode biedt in de uitbouw van een lerende organisatie. In de kracht
van de methode schuilt echter ook een gevaar. Een outdoor workshop is een
indringende interventie, die niet door om het even wie op om het even welk
ogenblik kan (mag) worden aangewend. Het feit dat haar mogelijkheden een
traditionele VTO benadering overstijgen, verklaart bovendien de ambivalente
gevoelens die in het bedrijfsleven tegenover de outdoor methode leven.
Sinds
enkele jaren zijn outdoor trainingen ingeburgerd geraakt in het bedrijfsleven
(Long, 1987; Miles, 1987). De methode heeft zich een plaats verworven in het
VTO proces (VTO staat voor vorming, training en opleiding)
van vele organisaties. Het aanbod aan opleidingen is groot en verscheiden, wat
wijst op een mature markt. Het taboe is verbroken, ook al blijft het
scepticisme bij velen groot. De meeste (training) managers hebben zich een
beeld gevormd van wat outdoor kan bijdragen aan hun organisatie. Het beeld, of
moeten we zeggen, het oordeel vari‘ert van mateloos enthousiasme tot afkeer.
Bij de deelnemers is er vooraf onrust, achteraf enthousiasme, maar ook
verwarring, vanuit het besef dat de diepgang van de ervaring niet zomaar
functioneel in te passen valt in het dagelijks werk. In vele opzichten lijkt
het outdoor gebeuren dan ook op de sensitivity trainingen in de jaren '60 en
'70.
De
meeste outdoor trainingen kaderen in een traditioneel VTO model (Van den Broek,
1990), gericht op het ontwikkelen van persoonlijke en interpersoonlijke
vaardigheden en attitudes. Vele outdoor workshops richten zich bijvoorbeeld op
individueel leiderschap of op teamrelaties. Het traditionele VTO proces
vertrekt vanuit een bestaande of gewenste organisatie en tracht, door algemene,
concrete, individu- of groepsgerichte vorming en opleiding, de realisatie c.q.
invulling van deze organisatie te stimuleren. De onderliggende veronderstelling
is dat het VTO proces ten dienste staat van de organisatie als concrete
realiteit. Zij richt zich op de uitvoering binnen bestaande of ontworpen
functies en doelen.
Onderzoek
naar de leerresultaten die door outdoor worden bereikt, toont echter dat deze
veel verder gaan dan inzicht in teamwork en het ontwikkelen van communicatievaardigheden
(Chapman & Lumsden, 1983; Bank 1985). Leren omgaan met onzekerheid, zelfrespect
en (zelf)vertrouwen, en een veranderde houding t.a.v. zichzelf
en anderen, overstijgen de traditionele didactische focus van het VTO proces.
Bovendien leent de outdoor methode zich er toe om deze focus uit te breiden
naar het ontwerpen van functies, en naar het concept van functie zelf.
In dat geval is de workshop niet enkel gericht op het functioneren binnen een
organisatie, maar op het proces van organiseren zelf. Daar dit
veranderingskader meer is dan vaak beoogd wordt in een VTO kader, kan de
outdoor methode meer losmaken dan de deelnemers (en hun collega's) willen en
mogen verwerken. Daarom is het belangrijk de methode te doseren
in functie van het gewenste leer- en/of veranderingseffect.
De
relatieve vertrouwdheid met outdoor cre‘ert een verraderlijk gevoel dat
"we nu wel weten wat het is". Tegelijk blijft er een mystiek aureool
rond de methode hangen. Wij geloven dat alleen een wetenschappelijk gegronde
discussie in staat is het inzicht te scheppen dat nodig is om een krachtige
methode op een verantwoorde manier toe te passen. In dit artikel trachten we in
de eerste plaats te begrijpen waarom en hoe een outdoor training in staat is,
c.q. dreigt het klassieke VTO kader te overstijgen. We schetsen daartoe op
welke manier outdoor geori‘nteerd kan worden op organiseerprocessen.
Daarna trachten we te systematiseren op welke wijze het leer- en
veranderingsproces verloopt, d.w.z. wat de werkbare/werkende bestanddelen
ervan zijn. Inzicht in deze werkende bestanddelen laat trainers toe om beter de
impact van hun interventies te kunnen inschatten en doseren. Beide sporen
leiden tenslotte tot een reflectie over de plaats die de outdoor methode mag en
kan innemen in de organisaties van de toekomst. De auteurs schrijven dit
verhaal vanuit een jarenlange ervaring met outdoor, zowel binnen als buiten een
traditioneel VTO kader[i].
1. De outdoor methode :
Een wetenschappelijke discussie begint met een afbakening van het
onderzoeksonderwerp. In het geval van de outdoor methode is dit zeker nodig
gezien de diversiteit van de ladingen die onder deze vlag varen. De
moeilijkheid van deelnemers om over hun ervaring te communiceren met
collega's die er niet bij waren, maakt bovendien dat allerlei sterke verhalen
rond outdoor een eigen leven beginnen leiden. Dit geeft voedsel aan de al
bestaande fantasie‘n.
Een
outdoor workshop ontleent zijn naam aan fysieke opdrachten in de natuur. Bij
voorkeur gaat hij door in een liefst wat ruige en ongerepte natuurlijke
omgeving, die een onuitputtelijke bron vormt van zeer diverse opdrachten.
In onze streken zijn vooral de Ardennen een geliefkoosde plek, terwijl voor
langdurige trainingen vaak wordt uitgeweken naar Frankrijk of Zweden. De rol
van een confrontatie met deze natuurlijke omgeving in het leerproces zal verder
in dit artikel duidelijk worden. In deze paragraaf situeren we de verschillende
benaderingen binnen de outdoor beweging situeren op twee dimensies : de aard
van de opdrachten zelf, en de aard van de nabesprekingen.
1.1 de outdoor opdrachten
Outdoor opdrachten ontstaan uit een interactie tussen de mogelijkheden
geboden door de natuurlijke omgeving, de leerbehoeften van de deelnemers en de
inspiratie en ervaring van de trainers, die voortdurend varianten bedenken op
eenvoudige en bekende thema's. Het meest tot de verbeelding spreken de
avontuurlijke opdrachten, zoals een trektocht door zeer ruw terrein, een rivier
afdalen, een grot exploreren, een rotswand afzeilen, of overleven op een
eiland. Sommige opdrachten vragen om een hindernis te overwinnen, die
natuurlijk kan zijn (bijv. een rotswand), maar ook een twee meter hoge muur of
een touwenconstructie. Ook zoekopdrachten, zoals ori‘ntatielopen, en
constructieopdrachten zoals het bouwen van een vlot of een brug behoren
tot het klassieke gamma[ii].
Al
deze opdrachten vergen een inzet van de totale persoon, en dus ook meestal
enige fysieke inspanning. Door de keuze, uitwerking en timing van de opdrachten
doseren de trainers de fysieke en psychische inspanningen die van de deelnemers
gevraagd worden. In de meeste outdoor workshops is de sportieve prestatie ondergeschikt
aan het leren als persoon en als groep. De opdrachten zijn eigenlijk ontworpen opdrachten in een natuurlijk kader. Het avontuur is niet gebaseerd op
fysieke prestatie en extreme situaties worden vermeden. Voor sommige
deelnemers uit bedrijven is dit een teleurstelling, maar voor de meeste
kaderleden is dit avontuurlijk genoeg. Men mag namelijk niet vergeten dat een
fysieke opdracht in de natuur steeds uitdagend blijft, ook al is ze technisch
gesproken relatief "gemakkelijk". Uit de volgende paragraaf zal
immers blijken dat de psychologische uitdaging doorweegt op de fysieke.
In
de literatuur wordt traditioneel een onderscheid gemaakt tussen "high
rope" en "low rope" opdrachten (Gall, 1987). "High
rope" oefeningen zoals rotsklimmen of abseilen vergen specifieke
beveiligingstechnieken, terwijl "low rope"
opdrachten dichter bij de grond blijven. Dit onderscheid lijkt ons in de
context van dit artikel niet erg relevant. In onze contreien bieden de meeste
outdoor trainingen een mix aan van "low" en "high rope".
Belangrijker vinden wij het onderscheid tussen individuele en groepsopdrachten
en tussen gestructureerde en open oefeningen. Wij verduidelijken nu wat we met beide
dimensies bedoelen, en wat de relevantie ervan is.
In
workshops die meer gericht zijn op het individueel leren (Van den Broeck, 1990)
is de groep niet meer dan een context en klankbord voor hoofdzakelijk
individuele opdrachten. Dergelijke trainingen zijn bijvoorbeeld gericht op het
verhogen van het eigen zelfvertrouwen, het leren omgaan met grenzen van
zichzelf en van anderen, en andere individuele vaardigheden die voor een
leidinggevende interessant geacht kunnen worden. Wanneer de klemtoon ligt op
het leren als organisatie, zullen vrijwel uitsluitend groepsopdrachten worden
gegeven, waarbij het team als geheel faalt of lukt. De deelnemers moeten niet
enkel leren omgaan met eigen reacties op de opdracht en met de taakomgeving,
maar ook en vooral met de interafhankelijkheden die door de gezamenlijke opdracht
worden gecre‘erd. Ook het falen of slagen als groep is op zichzelf
betekenisvol. Het maakt bijvoorbeeld een wezenlijk verschil uit of men een rotswand
individueel moet opklimmen, of in team terwijl men met korte touwen
aan mekaar vastgemaakt is. Als de groep groot genoeg is om opgesplitst te
worden kunnen intergroepsopdrachten worden ingelast, zodat deelnemers ook
geconfronteerd worden met interafhankelijkheden tussen groepen.
Het
tweede onderscheid betreft de wijze waarop de opdrachten gegeven worden :
gestructureerd of open. Deze dimensie verwijst naar de relatie tussen de
deelnemers enerzijds en de begeleiders en het programma anderzijds. Wie een
opdracht geeft stuurt niet enkel een inhoudelijke boodschap, maar defini‘ert
ook een relationele context (Watzlawick, e.a., 1967) en bepaalt daardoor
de mate waarin de deelnemers hun leerproces zelf kunnen mee sturen. In een
sterk gestructureerde setting worden de opdrachten zelf niet ter discussie
gesteld. De initi‘le afhankelijkheid van de begeleiders wordt aanvaard en zelfs
versterkt. Het zijn de begeleiders die weten wat er moet gebeuren, wanneer en
hoe. De deelnemers leren door de begeleiders te volgen. Zij kunnen tot op
zekere hoogte terugvallen op hun vertrouwde rol van"consument" van
opleiding.
Wanneer
het doel van de workshop er echter in bestaat de autonomie en
verantwoordelijkheid van de deelnemers in hun werk te verhogen, heeft het
weinig zin om de opdrachten op deze wijze op te leggen. Een open
benadering betekent bijvoorbeeld dat de deelnemers bij elke opdracht moeten
beslissen of zij de opdracht Ñ en de bijhorende spelregels Ñ aanvaarden of
niet. Ook kunnen alternatieven worden aangeboden, zodat de groep zelf de
moeilijkheidsgraad van een oefening kan bepalen. De deelnemers krijgen ook
de verantwoordelijkheid voor het be‘indigen van de oefening : ze kunnen op elk
ogenblik beslissen een opdracht te onderbreken. Dit betekent wel dat zij zelf
de verantwoordelijkheid moeten nemen voor hun eventueel mislukken. Het komt
voor dat een groep het hier zo moeilijk mee heeft dat hij blijft proberen, ook
al hebben de meeste leden al lang het geloof in het uiteindelijk resultaat
verloren. Tenslotte krijgt de groep ook de kans een opdracht te herhalen.
Hierdoor wordt de factor onbekendheid ge‘limineerd en heeft de groep de
mogelijkheid om te kijken hoe zij haar opgedane ervaring weet te gebruiken. Er
wordt zichtbaar wat men geleerd heeft. De deelnemers moeten echter ook
hier zelf beslissen of en wanneer ze deze confrontatie willen aangaan.
In
een dergelijke "open" benadering wordt de initi‘le afhankelijkheid
van de begeleiders tot op zekere hoogte gefrustreerd[iii]. Bij de
aanvang van een workshop vertrouwen de deelnemers nog sterk op het gezag en de
ervaring van de trainers, maar naargelang het programma vordert komen er
discussies en begint de groep een eigen leerprogramma te ontwikkelen. Op deze
manier verschuift de rol van de deelnemers van consument naar ontwerper, wat
consistent is met de beoogde verschuiving op het werk van functie-uitvoerder
naar functie-ontwerper.
1.2 de reflectie tijdens de nabesprekingen
Een wezenlijk verschilpunt tussen verschillende benaderingen binnen de
outdoor methode betreft de plaats van reflectie in het leerproces. Vele
trainers, die vooral een sterk gestructureerde aanpak hanteren, vinden
systematische reflectie overbodig en vertrouwen op het spontane leerproces dat
door de fysieke opdrachten wordt opgewekt. In sommige gevallen staat niet het
leren, maar wel het doen centraal, d.w.z. de sportieve prestatie, de uitdaging,
het plezier, enzovoort.
Wanneer
de outdoor methode echter gebruikt wordt in een context van
organisatie-ontwikkeling vormt de nabespreking een essentieel
onderdeel van het programma. Zij helpt de deelnemers om uit hun concrete
ervaring nieuwe inzichten te conceptualiseren, die via experimentatie de
ervaring verder kunnen verrijken (Kolb, 1984). Het gezamenlijk terugkijken op
de uitvoering van de opdrachten vervult een belangrijke functie, zowel
voor het leerproces tijdens de outdoor, als voor de transfer naar de
werksituatie later.
De
groepsopdrachten leveren de deelnemers in de eerste plaats individuele
ervaringen op. De nabesprekingen hebben als functie uit deze individuele
ervaringen een gezamenlijke realiteit te distilleren. De deelnemers moeten
reconstrueren wat er gebeurd is en wat de betekenis ervan is, aangezien deze
betekenis niet "gegeven" (d.i. evident) is en de oorspronkelijke
ervaring meer-zinnig (Weick, 1979²; Berger & Luckmann, 1967). Hiertoe
wisselen ze belevenissen en observaties uit, leggen ze verbanden, genereren ze
beelden, en gebruiken ze impliciete theorie‘n. De nabesprekingen kunnen
m.a.w. ook beschouwd worden als opdrachten die op een bepaalde manier door de
groep worden aangepakt, en dus ook zelf bespreekbaar zijn. Bovendien wordt
daarbij in familiegroepen vaak verwezen naar voorvallen en incidenten tijdens
het werk, zodat de reflectie dus een ge•ntegreerde collectieve realiteit thematiseert die in drie lagen aan de groep verschijnt : de groep
in de gewone werksituatie, de groep tijdens de outdoor opdracht, en de groep
zoals ze functionneert tijdens de nabespreking (hier-en-nu). De systematische
reflectie cre‘ert een netwerk van gedeelde betekenissen dat de diverse
individuele ervaringen op de drie lagen aan elkaar laat groeien.
Om
dit soort leren mogelijk te maken is het nodig dat de groep voldoende ruimte
gegeven wordt tijdens de nabesprekingen. De rol van de begeleiders beperkt zich
daarom tot klassieke procesinterventies[iv], zoals het
verwoorden van thema's waarmee de groep worstelt, het inbrengen van procesobservaties,
het bieden van steun of het confronteren (Schein, 1969; Campbell & Dunette,
1968; Burke & Hornstein, 1976; Bouwen, 1984). Het aanvaarden en
verduidelijken van zowel psychodynamische als organisatorische
thema's (zie punt 2.1) is hierbij van groot belang. Het is onze ervaring dat
deelnemers aan een outdoor workshop het tijdens de eerste dagen wat moeilijk
hebben met deze ongestructureerde wijze van werken. De groep stelt zich eerder
afhankelijk op van de begeleiders ("Wat hebben jullie gezien ?"),
heeft moeite om het proces bespreekbaar te maken, en verkiest de relatieve
veiligheid van de fysieke opdrachten boven de onzekerheid van de besprekingen.
Het moeizame karakter van de nabesprekingen verdwijnt meestal na twee ˆ drie
dagen. Naarmate het programma vordert worden de besprekingen rijker en heeft de
groep meer tijd nodig om al het ervaringsmateriaal te verwerken.
Het proces van construeren van betekenis begint dan al tijdens de outdoor
opdrachten zelf. Ook deze evolutie is consistent met de groei naar eigenaarschap
van de eigen functie.
1.3 een overzicht
Uit de bespreking weerhouden we uiteindelijk twee dimensies om de
gangbare benaderingen van outdoor te situeren. Op de ene dimensie plaatsen
we het onderscheid tussen individuele en groepsopdrachten, op de
andere het onderscheid tussen gestructureerde programma's, met zeer beperkte of
zeer gestructureerde nabesprekingen, en anderzijds open programma's, waarin de
deelnemers tijdens de opdrachten en de nabesprekingen gestimuleerd worden zelf
verantwoordelijkheid op te nemen over hun leerproces.
Het
dubbel onderscheid, zoals weergegeven in figuur 1, kan gebruikt worden om de
doelstellingen van een concrete outdoor workshop te situeren. Enkele
mogelijkheden worden in de figuur bij wijze van voorbeeld aangegeven. In het
eerste en derde kwadrant gaat het om zeer gerichte programma's, waar de
leerinhouden vooraf grotendeels vaststaan (bijv. Newman, 1987). Hier komt men
zelden tot leren waarbij men zijn eigen referentiekaders bevraagt. Wat
aangeleerd wordt zijn individuele (kwadrant 1) resp. collectieve (kwadrant 3)
handelingsroutines. In het tweede en vierde kwadrant gaat
het leren dieper (Harrison, 1977) en spreekt het de deelnemers aan in hun
bereidheid zichzelf te bevragen. De klemtoon ligt niet op het aanleren van
specifieke vaardigheden, maar eerder op groei en ontwikkeling, op het zelf
ontdekken en bevragen. In het tweede kwadrant is dit zoekproces vooral gericht
op het individueel functioneren, terwijl in het vierde kwadrant over
organiseerprocessen zelf geleerd wordt. Zoals in de inleiding gezegd,
richt dit artikel zich verder op dit vierde kwadrant.
2. Het leerproces.
We gaan nu dieper in op het leerproces dat zich tijdens een outdoor
workshop afspeelt, vertrekkende van een benadering die zich situeert in het
vierde kwadrant van figuur 1. De benadering is thematisch, niet chronologisch.
We willen aangeven wat de deelnemers binnen een outdoor workshop aan het leren
zet[v].
In paragraaf 2.1 bespreken we de mogelijke leer- en ontwikkelingsdimensies,
vervolgens in paragraaf 2.2 de procesdimensies die door de begeleiders
kunnen worden gehanteerd. Het spreekt vanzelf al deze dimensies niet in elke
outdoor workshop in dezelfde mate aan bod zullen komen, maar dat afhankelijk
van de doelstellingen en de context klemtonen zullen worden gelegd..
2.1 voornaamste ontwikkelingsdimensies binnen outdoor
Het leerproces dat wordt geactiveerd binnen een outdoor workshop omvat
vier inhoudelijke domeinen of ontwikkelingsdimensies : (1) het werken als team;
(2) het organiseren van het werk als team; (3) het leren uit gezamenlijke
ervaring (leren leren); en (4) persoonlijke ontwikkeling. Deze vier dimensies
komen zowel tijdens de opdrachten, als tijdens de besprekingen aan bod. Hoewel
aan bepaalde aspecten geen bewuste aandacht kan worden geschonken, kunnen de
vier dimensies niet uit elkaar gehaald worden. Het leerproces moet m.a.w. als
holistisch worden opgevat, d.w.z. als een natuurlijk geheel dat de inherente
relatie weerspiegelt tussen individu en organisatie, en tussen organiseren en
uitvoeren van werk. Dit holistisch perspectief is in overeenstemming met
recente ontwikkelingen in de organisatietheorie (Hosking
& Morley, 1991; Sievers, 1994; Weick, 1979²), die een kunstmatige
opsplitsing tussen individu en organisatie ziet als oorzaak van vervreemding en
onmacht.
De
eerste leerdimensie is het werken als team. Inzoverre de opdrachten
uitgevoerd worden als team, moeten de deelnemers de interafhankelijkheden die
dit met zich mee brengt, weten te managen. Dit roept klassieke fenomenen uit de
teambuiding op. Zo wordt de groep geconfronteerd met beperkingen
voortkomend uit zijn omgeving, met het stellen van doelen, met rolverdelingen,
procedures en interpersoonlijke relaties (Fry, 1981; Beckhard, 1969), en
met eventuele onopgeloste problemen terzake. Het team wordt ook geconfronteerd
met zijn eigen groepskarakter dat in belangrijke mate het functioneren van
het team bepaalt. Allerlei typische gevoeligheden, waarden en normen,
beelden over samenwerking, over wat haalbaar is, enzovoort, die gegroeid
en gestold zijn doorheen de historiek van het team in de organisatie, vormen
een dynamische eigenheid die het individuele niveau overstijgt, en in zekere
zin de identiteit van het team uitmaken. Deze identiteit omvat ook de
psychodynamische strategie‘n die het team hanteert wanneer het zich bedreigd
voelt door uitdagingen of beperkingen. Regressie naar afhankelijkheid, fight/flight
of pairing als reactie op falen of de angst voor falen, weerspiegelen de
heersende cultuur in de organisatie of afdeling waarvan het team deel uitmaakt
(Bion, 1959).
Het
eigene van de outdoor methode in vergelijking met andere teambuilding programma's
is dat de opdrachten deze dimensies op zeer directe wijze zichtbaar
maken. Dit houdt verband met de fysieke betrokkenheid en de directe feedback,
die we verder zullen bespreken. De oefeningen zijn daarenboven zo
ontworpen dat ze de grenzen en moeilijkheden die het team in zijn re‘le
werksituatie ondervindt, tastbaar maken. De confrontatie met het eigen
functioneren als team leidt tot een diepgaande en kritische bevraging over
beelden (wat gebeurt er, wie zijn we), normen (hoe moeten we tewerk gaan), waarden
(waar haal ik de energie) en grenzen (kan dit zomaar, dit gaat mij tever).
Gezien de outdoor methode een goed middel is om te leren over groepsdynamische
processen, wordt ze steeds vaker aangewend in het kader van teambuilding.
In
tegenstelling echter tot de zuiver procesgerichte benadering van bijvoorbeeld
de sensitivity training, weet de outdoor methode ook de "hardere"
taakgerichte kant van teamwerk te betrekken in het leerproces. De opdrachten in
de natuur, vooral als het gaat om complexe groepsopdrachten, waarvan de
planning en uitvoering een hele dag in beslag kunnen nemen, vormen immers
re‘le taken, die door de groep op een bepaalde manier worden georganiseerd.
Tijdens dergelijke opdrachten combineren de deelnemers de rollen van
ontwerpingenieur, produktiechef, uitvoerders, personeelschef,
veiligheidsdienst en klant. De groep moet rekening houden met beperkingen,
omgevingsfactoren, beschikbare middelen en competenties. Bovendien
zijn middelen en competenties niet "gegeven", maar moeten ze door de
teamleden zelf worden verkend. Ook moet rekening gehouden worden met
onvoorziene gebeurtenissen, zoals een onweer of een vergissing bij het
kaartlezen. Dergelijke complexe opdrachten zijn bijzonder geschikt om te
leren over hoe het team omgaat met het organiseren van hun activiteiten.
Dit
thema sluit aan bij de trend om mensen mee verantwoordelijk te stellen voor het
organiseren van hun werk. In vele organisaties worden klassieke structuren
gedebureaucratiseerd vanuit een noodzaak tot flexibiliteit. De cošrdinatie
verloopt niet langer via de hi‘rarchie, maar langs rechtstreekse afspraken
tussen de leden van een team, of tussen verschillende teams c.q. diensten.
Externe controle wordt vervangen door interne regulering. Door dit alles worden
hi‘rarchische niveaus uitgespaard, maar vervagen de interne grenzen en moeten
deze zelf gemanaged worden. Medewerkers worden m.a.w. steeds meer betrokken bij
het cre‘ren van optimale werkvoorwaarden om de gevraagde kwaliteit en
kwantiteit tijdig te leveren (Walton, 1985; Pasmore, 1988; Chouraqui, 1993;
Hirschhorn & Gilmore, 1992). De aandacht verschuift daarbij van het
oplossen van problemen naar het verbeteren of herontwerpen van gehele
werksystemen (Weisbord, 1987; Hoebeke, 1994).
Dit
verdwijnen van de opsplitsing tussen het uitvoeren en het organiseren van het
werk vraagt kennis en kunde betreffende het "organiseren". Mensen
weten wel wat er in hun organisatie niet meer functioneert, maar het is hen
niet duidelijk hoe het anders kan. De outdoor oefeningen bieden de gelegenheid
aan de deelnemers om hun impliciete concepten en modellen rond organiseren te
ontdekken en te experimenteren met nieuwe concepten, die eventueel door de
begeleiders worden aangereikt. Hierdoor groeit inzicht in organiseerprocessen
en competentie en zelfvertrouwen in de rol van manager van de eigen
activiteiten.
De
derde ontwikkelingsdimensie vormt het leren uit gezamenlijke ervaring.
Leren uit ervaring is niet gemakkelijk. Het betekent risico nemen. Het
uittesten van nieuwe modellen over organiseren en samenwerken met anderen leidt
vaak tot onverwachte en soms tot ongewenste situaties. Leren uit ervaring
impliceert m.a.w. noodzakelijkerwijze mislukken. De gebruikelijke cultuur in
organisaties om de verantwoordelijkheid voor resultaten te
individualiseren en hieraan een systeem van beloningen en straffen te koppelen,
maakt echter dat medewerkers er voordeel bij hebben om fouten door te schuiven,
en over te gaan tot "window dressing".
Een
gevolg hiervan is dat er in organisaties weinig tolerantie bestaat voor
ambigu•teit, twijfel of zwakte. Management en medewerkers gedragen zich alsof
ze alles onder controle hebben (Argyris, 1977; Argyris & Schšn, 1978). In
een dergelijke cultuur is leren iets wat je alleen doet, verborgen voor de
anderen. De moeilijkheid van organisaties om zich aan te passen aan nieuwe
omstandigheden heeft onder andere met deze beperkte leercapaciteit te maken. De
neiging om alles onder controle te houden leidt tot gesimplificeerde
interpretaties van wat er aan de hand is en tot het defini‘ren van problemen in
termen van kant en klare oplossingen[vi].
In
een outdoor programma wordt aandacht besteed aan het ontwikkelen van normen en
waarden die stimuleren en uitnodigen tot leren. Het ontwikkelen van een houding
waarbij mensen elkaar kunnen vergeven en ondersteuning geven in de plaats van
elkaar te isoleren, is hierbij cruciaal. Zulk een relatie van samen-leren maakt
het mogelijk om feedback te geven en te krijgen, mekaars interpretaties en
beeldvorming te bevragen, om afstand te nemen van beschermende reacties en
stereotyperingen te nuanceren. Kortom, het maakt het mogelijk om, als individu
en als team, ook van elkaars ervaring te leren. Dit verhoogt op spectaculaire
wijze de capaciteit tot leren van individu en organisatie.
Als
vierde en laatste ontwikkelingsdimensie vermelden we persoonlijke
ontwikkeling. Reeds in de inleiding werd vermeld dat het leren omgaan met
onzekerheid een belangrijk leereffect is van de outdoor methode. Het kan vreemd
lijken dat in een workshop gericht op organisatie-ontwikkeling aandacht gegeven
wordt aan de persoonlijke ontwikkeling van de deelnemers. Wij geloven echter
dat dit geen tegenspraak is. Autonomie en het mee-organiseren van het eigen
werk vereist het aankunnen van verantwoordelijkheid en onzekerheid. Hiervoor
is ontwikkeling van de persoon als geheel nodig.
De
outdoor opdrachten en de nabesprekingen stimuleren persoonlijke ontwikkeling
omdat ze het individu uitnodigen meerdere aspecten van zijn persoonlijkheid te
bevragen of te bevestigen. Dit kan gaan om vaardigheden en opinies, of om
diepere aspecten zoals waarden, geloof, vertrouwen, angst en onzekerheid. Het
contact met de natuur roept primitieve gevoelens op, die refereren naar de
persoonsontwikkeling van v——r de volwassenheid (Klein, 1959). De
oefeningen confronteren de deelnemers met hun lichaamsbeeld, met onzekerheid,
met fysiek ongemak, met psychologische grenzen, met vermijdingsgedrag,
en met zwakke kanten, die niet passen in het beeld dat hij of zij van zichzelf
wil verkondigen. Dit intensifi‘ert de interne dialoog. Door deze dialoog te
delen met anderen komen mensen tot een hogere acceptatie van zichzelf en tot
een hogere tolerantie voor ambigu•teit : het valt hen gemakkelijker om te
gaan met de realiteit zonder deze te moeten vereenvoudigen of ontkennen
(Bettelheim, 1975). Ze leren dat vertrouwen in zichzelf een voorwaarde is voor
vertrouwen in elkaar. Ze ontdekken in zichzelf de kracht die hen toelaat als
autonome en verantwoordelijke wezens bij te dragen aan het team en zorg te
dragen voor hun omgeving.
2.2 werkzame proceselementen van outdoor
De verschillende ontwikkelingsdimensies vormen elk een eigen focus van
waaruit het concrete gebeuren tijdens een outdoor workshop kan worden bekeken
en geanalyseerd. Het simultaan voorkomen van vier verschillende invalshoeken
illustreert de complexe gelaagdheid van het leerproces, en van organisaties in
het algemeen. Om dit leer- en ontwikkelingsproces te sturen, beschikt een
outdoor begeleider over vier instrumenten. Deze proceselementen maken naar ons
gevoel de essentie uit van de outdoor methode. Het gaat om (1) de totale
betrokkenheid en directe feedback tijdens de oefeningen; (2) de uitdaging om
nieuwe, generatieve concepten inzake organiseren uit te proberen; (3) de
outdoor situatie als metafoor en taalspel; en (4) de outdoor situatie als
transitionele ruimte. Deze werkzame componenten vormen niet alleen de
voornaamste belangrijkste instrumenten van de begeleiders, zij geven ook aan
welke eisen er aan hen gesteld worden om de methode met succes te kunnen
hanteren.
In
de eerste plaats voorzien de outdoor opdrachten in een totale betrokkenheid
en directe feedback. De deelnemers zijn actief en totaal betrokken bij het
gebeuren. Zij worden op onverbloemde wijze geconfronteerd met
zichzelf en met het resultaat van hun denken en handelen. De feedback is direct
en lichamelijk voelbaar. Een uitschuiver of een nat pak behoort tot de
mogelijkheden. Ook het functioneren als groep wordt zichtbaar door de aard van
de opdrachten. Wanneer tijdens een ori‘ntatietocht iemand "vergeten"
wordt, zal dit voor iedereen duidelijk zijn, veel meer dan bijvoorbeeld
tijdens een werkbespreking. De lichamelijke betrokkenheid stimuleert
de groepsleden om mekaar zonder omwegen feedback te geven. Wanneer er twee
collega's om mijn schouder staan en ik merk dat men rustig begint de
discussi‘ren hoe het verder moet, zal mijn aanmaning om door te gaan vrij
direct zijn : in een dergelijke oncomfortabele situatie ben ik niet erg bekommerd
om een beleefde of formulering of om de politieke gevolgen van mijn gevloek.
Een
belangrijk gegeven bij deze directe betrokkenheid is dat de gekregen feedback
niet evaluatief is. De natuur veroordeelt niet, ook al is ze onverbiddelijk.
Een rots liegt niet, maar legt mogelijkheden en grenzen zonder mededogen bloot.
De natuurlijke omgeving dwingt tot eerlijkheid tegenover ons zelf. Het heeft
geen zin energie te steken in het ontkennen van angst. De moeilijkheid die de
deelnemers hiermee hebben, is dat de feedback die ze voor zichzelf krijgen
zichtbaar is voor de andere groepsleden. Iedereen kan zien wie het moeilijk
heeft tijdens een bepaalde opdracht. Het durven tonen van eigen zwakten aan
elkaar is een belangrijke component voor het gezamenlijk leren. Na verloop van
tijd wordt zulk een openheid door de outdoor opdrachten onvermijdelijk.
De
tweede werkzame component van de outdoor methode is dat ze uitdaagt om te
experimenteren met nieuwe concepten inzake organiseren. De ongewone
opdrachten Ñ tenminste wanneer ze goed zijn ontworpen Ñ confronteren de
deelnemers met de beperkingen van hun vertrouwde manier van werken. Het
resultaat is niet zoals de teamleden het verwachtten. Na een eerste periode van
frustratie, worden ze nieuwsgierig en gaan ze op zoek. Dit biedt ruimte voor de
begeleiders om onderliggende opvattingen over organiseren in
vraag te stellen en alternatieve concepten aan te reiken.
De
outdoor opdrachten lenen zich zeer goed tot om een procesmatige benadering van
organiseren, in contrast met de structurele benadering die in de meest
organisaties nog steeds domineert. Het inschakelen van verschillende bijdragen
in het geheel van een opdracht kan dit illustreren. Teamleden maken zich
gemakkelijk afhankelijk van vaste functies. Ze duiden bijvoorbeeld een
cošrdinator of een coach aan en verwachten dat daarmee de behoefte aan
cošrdinatie of coaching zal zijn voldaan. Daarbij gebeurt de aanduiding vaak op
willekeurige basis. Zo wordt iemand tot cošrdinator van een groepsklim
gebombardeerd, omdat hij "goede schoenen aan heeft".
De
taakverdeling dient echter meer om territoria af te bakenen, dan om essenti‘le
bijdragen aan het team veilig te stellen. Na het aanduiden van een
cošrdinator, bijvoorbeeld, voelen de overige leden zich vrij om verder bij te
dragen tot de chaos. Cošrdinatie is immers hun verantwoordelijkheid
niet meer. Het aanduiden van een cošrdinator blijkt dan eerder een hindernis,
dan een hulpmiddel. Op basis van zulke ervaringen evolueren de deelnemers naar
een andere houding tegenover organiseren. Ze leren flexibel om te gaan met
rollen en hebben minder behoefte aan precieze afbakening (Hirschhorn &
Gilmore, 1992). Vooral taak- en autoriteitsgrenzen worden versoepeld en
gemanaged vanuit de onderlinge relatie, eerder dan vanuit structurele
afspraken. Zo kan ieder teamlid verantwoordelijkheid
opnemen voor het cre‘ren en bewaken van de voorwaarden waaronder de leden
maximaal kunnen bijdragen aan de uitvoering van de opdracht.
In
overeenstemming met hun rol schrijven de begeleiders geen kant-en-klare,
concrete oplossingen voor, maar bieden de deelnemers generatieve principes
(Gergen, 1982). De meeste van deze generatieve principes, zoals redundantie in
functies (RIF) en minimale kritische specificatie (MKS), worden ontleend aan de
Tavistock traditie[vii]
(Herbst, 1974; Emery, 1969). Aan de hand van zulke principes kunnen vertrouwde
en alternatieve organisatie-afspraken op hun waarde worden onderzocht.
Nemen we bijvoorbeeld de organisatie van het koken. Vele teams kiezen voor een
taakverdeling die gebaseerd is op het principe dat iedereen een eigen
specialiteit moet hebben in het huishouden. Het aankopen, het klaarmaken van
het eten en de budgettering worden aan verschillende mensen toegewezen.
Dit verhoogt de noodzaak tot cošrdinatie. Daarbij wordt, in aloude bureaucratische
traditie, zoveel mogelijk op voorhand vastgelegd. Dit levert problemen op,
bijvoorbeeld wanneer de inkopers vaststellen dat een gevraagde ingredi‘nt niet
voorradig is, of duurder als verwacht. Dergelijke problemen kunnen
voorkomen worden door een "team van de dag" aan te stellen, dat,
binnen een afgesproken budget, zowel kookt als de aankopen doet. Dit laat
improvisatie en aanpassing aan onverwachte omstandigheden toe. De vraag is
dan wat minimaal afgesproken moet worden, opdat dit team op verantwoorde manier
zijn taak zou kunnen aanpakken.
Als
derde werkzame procescomponent vermelden we het metaforisch karakter van
de outdoor oefeningen. Onze organisatieconcepten, m.a.w. ons denken over
organisaties, is sterk metaforisch geladen (Morgan, 1986; Lakoff, 1980). Metaforisch
taalgebruik staat voor het omschrijven van een situatie, een gebeuren of een
ervaring met behulp van begrippen die uit een andere context komen (Ortony,
1979). Het gebruik van metaforen laat toe een realiteit te beschrijven die
moeilijk vatbaar is. De sterkte van metaforen is dat ze iemand zowel emotioneel
aanspreken als hem tot nadenken verplichten. Dit houdt o.m. verband met
het holistisch karakter ervan : ŽŽn beeld zegt meer dan duizend woorden. De
metafoor nodigt de andere uit om samen de betekenis van het beeld te
exploreren. Op die manier laten ze toe gedrag of situaties bespreekbaar te
maken die men (nog) niet rechtstreeks durft of kan benoemen. Vooral het
bespreekbaar maken van angst, incompetentie en mislukking, d.w.z. de negatieve,
maar onvermijdelijke kant van het succes, maakt gebruik van deze
mogelijkheden.
De
opdrachten tijdens de outdoor workshop worden al snel door de deelnemers
opgepikt als (nieuwe) metaforen om processen en gedragingen te benoemen die zij
uit hun re‘le werksituatie herkennen. Hiervoor is het nodig dat de
opdrachten de complexiteit van de re‘le werksituatie voldoende weerspiegelen.
Vooral tijdens de nabesprekingen exploreren de deelnemers de mogelijkheden
en de kracht van metaforisch taalgebruik. Ze ontwikkelen een gemeenschappelijke
taal waarmee ze hun eigen functioneren kunnen bespreken en organiseren
(Srivastva & Barrett, 1988). Woorden als "hulp",
"luisteren", "ambitie", "samenwerking",
"mislukking", "planning", e.d.m. krijgen een betekenis die
verwijst naar de gemeenschappelijke ervaring tijdens de outdoor sessies. Op die
manier worden ervaringen en inzichten in de groep verankerd. De rijkdom van
deze gemeenschappelijke taal maakt het aan de andere kant
moeilijk om aan niet-deelnemers te vertellen wat men precies geleerd heeft.
De
vierde en laatste component van het outdoor leerproces houdt verband met het speelse
karakter van de opdrachten. De opdrachten zijn uitdagend en amusant. Ze
stimuleren een speelse houding. Klimmen en klauteren, vlot varen, afzeilen,
springen, ... zijn activiteiten die appelleren aan het kind in ons. In feite
nodigt de outdoor uit tot het betreden van de "speel"-ruimte uit onze
kindertijd. Winnicott (1980) noemt dit een "transitional space",
omdat het de overgang bewerkstelligt tussen fantasie en werkelijkheid. Het is
een veilige tussenruimte die exploreren en ontdekken mogelijk maakt en de
overgang naar de harde realiteit draaglijk maakt. In deze ruimte hebben
het eigen handelen en de beslissingen die men neemt, net als in de echte
werksituatie, hun gevolgen. Maar deze gevolgen zijn tegelijk belangrijk en
onbelangrijk. Ze zijn onbelangrijk, omdat ze zich beperken tot een geslaagde
beklimming, een omweg van een half uur of natte voeten. Ze zijn belangrijk,
omwille van de fysieke en emotionele betrokkenheid van de deelnemers, omwille
van de persoonlijke eer, en omwille van het plezier dat gepaard gaat met het
ontdekken van het eigen kunnen.
Winnicott
beklemtoont de relatieve veiligheid van een dergelijke transitionele ruimte. De
deelnemers hebben deze ruimte nodig, om persoonlijke ontwikkeling mogelijk te
maken. In de eerste plaats moet heel wat "ontleerd" worden, wat
gepaard kan gaan met gevoelens van angst, onzekerheid en verlies van controle.
Het plezier beleefd aan de fysieke activiteit en het kunnen lachen met wat er
gebeurt, vermindert de nood aan minimalisatie, ontkenning of verdringing.
Bovendien stimuleert het contact met de natuur primaire gevoelens die we
onvoldoende verwerkt hebben (Klein, 1959). Vooral grotten, rotsen (hoogte),
waterlopen, donkere bossen roepen heel wat oude demonen op. De gevoelsmatige
beleving overstijgt daardoor vaak de realiteit van de feitelijke situatie. Het
speelse karakter van de oefeningen helpt de groep om dergelijke projecties en
regressie op te vangen en te verwerken. De deelnemers leren om hun fantasie‘n
te (h)erkennen, en de eventuele re‘le bedreiging in te schatten en aan te
pakken.
We
vrezen dat vandaag de dag nog weinig organisaties hun medewerkers een
dergelijke "speelruimte" (kunnen) aanbieden. Integendeel,
de herstructureringen, fusies, "rightsizing", strategische veranderingen,
enzomeer van de laatste jaren, hebben eerder geleid tot nog meer gevoelens van
angst en onmacht. Hierdoor wordt ontwikkelingscapaciteit geblokkeerd, zowel
voor de individuele medewerker, als voor de organisatie als geheel.
2.3
keuze en integratie van de verschillende elementen
De
ontwikkelingsdimensies en de werkzame proceselementen van outdoor staan niet
los van elkaar. Mensen organiseren bijvoorbeeld hun activiteiten in functie van
het teamfunctioneren (Wittockx, 1994). Het verband wordt getoond in figuur 2.
De fysieke betrokkenheid en directe feedback van de outdoor opdrachten biedt
het leren werken als team een onmiddellijke realiteitstest die
"verbale" teambuilding programma's pas op lange termijn kunnen
bieden. Een aangepast ontwerp van de opdrachten en het aanbieden van
generatieve principes inzake organiseren biedt de mogelijkheid om te leren over
het (zelf) organiseren van werk. Het metaforisch en speels karakter van de
methode tenslotte laat het team toe om een gemeenschappelijke taal te
ontwikkelen die het mogelijk maakt ieders ervaring samen te leggen, en om
binnen het team ruimte te cre‘ren voor persoonlijke ontwikkeling van de
leden.
Het
is de integratie van de verschillende elementen die de kracht uitmaakt van dit
leerproces. De verschillende lagen, individu en organisatie, taak en relatie,
vloeien permanent door elkaar en versterken, hinderen en bevruchten
mekaar. De deelnemers leren de complexiteit, diversiteit en rijkdom
van een levende organisatie waarderen. Het team verliest heel wat gevoelsmatige
en organisatorische ballast, en heeft daardoor meer energie over voor zijn primaire
functie : samen-werken om toegevoeg-de waarde te cre‘ren.
De
kracht van deze ervaring verklaart de verwarring waaraan deelnemers tijdens een
outdoor workshop ten prooi kunnen zijn. Tijdens de workshop krijgen ze immers
een andere kijk op hun teamfunctioneren, gaan ze twijfelen over hoe ze hun
taken organiseren, leren ze anders omgaan met taal en worden ze geconfronteerd
met hun eigen en andermans gevoelens. Bovendien wordt van hen verwacht dat ze
in deze confrontatie met zichzelf verantwoordelijkheid opnemen voor hun
eigen gedrag (niet rationaliseren) en hun ervaringen delen met anderen.
Zoals we in hetvolgende punt zullen uitwerken worden dergelijke leerverwachtingen
niet (altijd) gestimuleerd in de gewone bedrijfscontext. Voortraject en opvolging
zijn in de meeste gevallen nodig om deze verwarring door te werken en de
deelnemers te leren vertrouwen op hun intuitie en op hun eigen innerlijke
kracht. In deze betekenis richt de outdoor methode zich op het ontwikkelen van
menselijke "potentie"[viii].
Het
spreekt vanzelf dat een leerproces zoals hierboven geschetst, hoge eisen stelt
aan de begeleiders. Hun rol is uitgebreid en vergt zeer diverse vaardigheden en
competenties en bovendien vertrekt ook de integratie van de verschillende
componenten vanuit de begeleiders. In de eerste plaats moet een begeleider in
staat zijn outdoor opdrachten te selecteren, te onwerpen of aanpassen en te
begeleiden, c.q. te beveiligen. Vooral wanneer "high rope" opdrachten
tot de mogelijkheden behoren, vergt dit meer dan wat praktische ervaring met de
methode. Daarnaast wordt van een begeleider een inhoudelijke inbreng verwacht,
zowel wat betreft psychodynamische als organisatorische thema's. Beide
domeinen vergen een ge‘igende ervaring. Tenslotte moet de begeleider het leerproces
zelf bewaken en bijsturen : het gaat hier om processen van afhankelijkheid,
persoonlijke ontwikkeling en groepsontwikkeling, die eigen zijn aan een minder
gestructureerde aanpak. Gezien de diversiteit aan ervaring die van de
begeleider(s) verwacht wordt, worden outdoor workshops vaak begeleid door
meerdere mensen.
De
vraag waarop we hier verder willen ingaan is deze van de plaats die een outdoor
workshop inneemt in het bedrijfsproces en a fortiori in het VTO proces. In de
inleiding brachten we deze vraag reeds ter sprake. We stelden toen dat de
outdoor methode de klassieke benadering van VTO lijkt te overstijgen. Dit
betekent dat outdoor als methode ons ook iets kan leren over de wijze waarop
dit VTO proces in vele bedrijven gemanaged wordt.
3. De betekenis van de outdoor methode.
Het
is perfect denkbaar en mogelijk om de diepgang van een outdoor workshop te
beperken. Het leerproces kan gericht worden op ŽŽn van de genoemde
ontwikkelingsdimensies Ð bijvoorbeeld teamfunctioneren of persoonlijke ontwikkeling
Ð terwijl verwijzingen naar de andere dimensies door de begeleiders worden
afgeremd. Hierdoor kan het leren worden afgebakend, althans het offici‘le
gedeelte. De deelnemers hebben hier meestal geen moeite mee, omdat ze gewend
zijn aan sterk voorgeprogrammeerde opleidingen. Ze behouden voor zichzelf de
vrijheid om ten persoonlijke titel meer te leren dan wat formeel besproken
is. Mensen kunnen het leren immers niet laten (Hoebeke, 1995).
De
outdoor methode zelf stimuleert echter tot een integraal leren, dat de vier
dimensies en hun onderlinge interrelaties omvat[ix]. De
deelnemers gaan in dat geval samen met de begeleiders op ontdekkingstocht, en
weten vooraf niet precies wat ze zullen leren. Wel weten ze dat ze zullen
aangesproken worden op al hun capaciteiten, zowel rationele, fysieke, en
emotionele als op hun oordeelsvermogen. Tijdens de tocht dragen ze Ð ondanks
hun afhankelijkheid van de begeleiders Ð de volle verantwoordelijkheid over
welk leren ze bij zichzelf en bij elkaar toelaten. De ervaringen die ze
onderweg opdoen zullen bovendien leiden tot het bevragen van vele beelden :
beelden van zichzelf, van het team, van hun rol en functie, van hun
organisatie. De outdoor methode stimuleert m.a.w. tot een leren dat de ganse
persoon treft, en daarom "holistisch" wordt genoemd.
Aangezien
dit leren zich niet beperkt tot de roldefinitie binnen de organisatie, is het,
althans vanuit het perspectief van de organisatie, onbegrensd. Het is niet of
nauwelijks programmeerbaar. Dit is ŽŽn van de redenen waarom de outdoor methode
moeilijk aanvaard wordt in een traditionele VTO cultuur. Het is opmerkelijk hoe
de methode meer acceptabel wordt zodra het leerproces wordt begrensd, zoals
hierboven werd geschetst, of wanneer de workshops toegespitst worden op specifieke
inhouden, waardoor we terecht komen in het eerste of tweede kwadrant van figuur
1. Het is paradoxaal dat een leermethodiek precies haar kracht moet verliezen
om aanvaard te worden. Betekent dit dat organisaties, en dus hun (VTO-)
verantwoordelijken bang zijn dat mensen echt iets zouden leren ?
Er
is nog een andere reden waarom de outdoor methode niet altijd aanslaat bij
traditionele VTO mensen, en deze reden is even fundamenteel. In de inleiding
schreven we reeds dat de dominante stroom in het VTO landschap functievolgend is, d.w.z. de opleiding gebeurt in functie van een al dan niet
expliciet omschreven rolverwachting of functie. Dit is geheel in lijn met een
structureel-functionalistische manier van organiseren. Vanuit vooraf
bepaalde doelstellingen en taakverdelingen (functies) worden mensen
"klaargestoomd" om deze klussen te klaren. De inbreng van de mensen
zelf en hun relaties is miniem, hooguit ondersteunend, in vele gevallen
verstorend. Relaties tussen mensen zijn in de eerste plaats relaties tussen
functionarissen, en hebben een instrumenteel karakter.
De
outdoor methode vertrekt vanuit een heel ander, procesmatig waardenkader. Een
outdoor workshop brengt de deelnemers in situaties waar vaste functies en
rollen contra-produktief zijn, en leert hen wat de voorwaarden zijn voor een
flexibele organisatie. De onderliggende veronderstelling is dat de kwaliteit
van de onderlinge relaties de basis vormt van organiseerprocessen. Deelnemers
ervaren aan de lijve (!) wat het betekent samen te werken op basis van
authentieke relaties, eerlijk te zijn over competenties Žn grenzen, en steun en
hulp te mogen geven en aannemen. Ze komen in situaties terecht waarin ze hun
verantwoordelijkheid niet kunnen ontlopen en leren van daaruit onderhandelen
over hun eigen bijdrage. Ze ontdekken de betekenis van het woord
"gemeenschap" (Peck, 1988) en de emotionele en geestelijke energie
die vrijkomt wanneer men ophoudt te conformeren aan een cultuur van schijn
en peptalk. Ze leren dat samen zoeken en bevragen veel rijker is dan het
omhelzen van eenvoudige oplossingen, en dat geen enkele vaste
organisatiestructuur alle noden kan beantwoorden.
Het
is onze ervaring dat vele (VTO-) managers ervoor terugschrikken om hun mensen
dit te laten leren, niet enkel omdat het moeilijk controleerbaar is, maar ook
omdat het in strijd is met fundamentele assumpties waarop hun organisatie is
gebouwd. Geconfronteerd met een turbulente omgeving toekomst investeren
bedrijven immers nog steeds bij voorkeur in nieuwe handelingsroutines, niet in
de kwaliteit van hun zoekproces. De outdoor methode toont hoe kracht kan worden
geput uit de mogelijkheden van authentieke samenwerking, en biedt aldus geen
oplossingen, maar toegang tot de bron zelf.
We
kunnen besluiten dat de outdoor methode roept met betrekking tot het VTO proces
twee vragen oproept : (1) in welke mate krijgen de medewerkers in de
organisatie de ruimte om zelf de richting (of : eindtermen) van hun leerproces
te bepalen; en (2) in welke mate is functiegerichte vorming en opleiding nog
relevant voor een "lerende" organisatie (van de toekomst). Dit
artikel heeft niet de pretentie om deze vragen te beantwoorden : dat wordt aan
de lezer overgelaten. Voor de auteurs blijft outdoor in de eerste plaats een
zoekproces. Onze betrokkenheid bij outdoor workshops dwingt ons onszelf te
bevragen in welke mate wij eigenlijk weten hoe mensen leren; hoe
menselijke emoties een erkende plaats kunnen vinden in een bedrijfseconomische
context; hoe mensen kunnen leren om verantwoordelijk te zijn voor zichzelf en
zorg te dragen voor anderen.
Referenties :
Argyris, C.
& Schšn, D. (1978) Organizational Learning : A Theory of Action
Perspective. Reading MA : Addison-Wesley.
Argyris, C.
(1977) Double loop learning in
organizations. Harvard Business
Review, 55(5), 115-125.
Bank, J.
(1985) Outdoor Development for
Managers. Aldershot : Gower.
Beckhard, R.
(1969) Organizational Development : Strategies and Models. Reading MA :
Addison-Wesley.
Berger, P.
& Luckmann, T. (1967) The
social Construction of Reality. New York : Doubleday.
Bettelheim,
B. (1975) The uses of
Enchantment. New York : Vintage Books.
Bion, W.
(1959) Experiences in Groups,
and other Papers. London : Tavistock.
Bouwen, R.
(1984) Een overzichtschema van
interventies in groepen. In : Leren en Leven met Groepen. Alphen a/d
Rijn : Samsom, 1307/1-17.
Burke, W.
& Hornstein (Eds) (1976) The
Social Technology of Organization Development. San Diego CA :
University Associates.
Campbell, J.
& Dunette, M. (1968)
Effectiveness of T-group experiences in managerial training and development.
Psychological Bulletin, 70, 73-103.
Chapman, & Lumsden, (1983)
Chouraqui, A.
(1993) From participation as a
management tool to participation as a regulatory principle. In : Lafferty, W.
& Rosenstein, E. (Eds) International Handbook of Participation in
Organizations (Volume III). Oxford : Oxford Univ. Press, 92-109.
Emery, F.
(1969) Systems Thinking. Harmondsworth
: Penguin.
Fry, R.
(1981) Dynamics of groups that
execute or manage policy. In : Payne, R. & Cooper, C. (Eds) Groups at Work. New York :
Wiley, 41-57.
Gall, A.
(1987) You can take the manager
out of the woods, but ... Traning & Development Journal, 41, 54-58.
Gergen, K.
(1982) Toward Transformation in
Social Knowledge. New York : Springer Verlag.
Harrison, R.
(1977) Hoe diep mag organisationele
interventie gaan ? In : Leren en Leven met Groepen. Alphen a/d
Rijn : Samsom, 1220/1-23.
Herbst, P.
(1974) Socio-Technical Design. London :
Tavistock.
Hirschhorn,
L. & Gilmore, T. (1992) The
new boundaries of the "Boundaryless Company". Harvard Business
Review, 70, 104‑115.
Hoebeke, L.
(1994) Making Work Systems
Better. New York : Wiley.
Hoebeke, L.
(1995) Leren : organisaties kunnen
het niet, mensen kunnen het niet laten. Holland Management Review, 42, 40-48.
Hosking, D.M.
& Morley, I. (1991) A
Social Psychology of Organizing. New York : Harvester Weatsheaf.
Klein, M.
(1959) Our adult world and its
roots in infancy. Human Relations, 12, 291‑303.
Kolb, D.
(1984 ) Experiental Learning. Englewood
Cliffs (NJ) : Prentice Hall.
Lakoff, G.
(1980) Metaphors we live by. Chicago :
Univ. of Chicago Press.
Lieberman,
M., Yalom, I., & Miles, M. (1973) Encounter Groups : First Facts. New York :
Basic Books.
Long, Janet
(1987) The wilderness lab comes of
age. Traning & Development Journal, 41, 30-39.
Miles, J.
(1987) Wilderness as a learning
place. Journal of Environmental Education, 18, 33-40.
Morgan, G.
(1986) Images of Organization. Beverly
Hills : Sage.
Newman, V.
(1987) The medium is the message. Management
Education and Development, 18, 25-30.
Ortony, A.
(1979) Metaphor and Thougth. Cambridge :
Cambridge University Press.
Pasmore, W.
(1988) Designing Effective
Organizations. New York : Wiley.
Peck, M.
Scott (1988) The Different
Drum. Community making and Peace. New York : Touchstone.
Schein, E.
(1969) Process Consultation. Reading MA : Addison-Wesley.
Sievers, B.
(1994) Work, Death and Life
itself. Berlijn : Walter de Gruyter.
Srivastva, S.
& Barrett, F. (1988) The
transforming nature of metaphors in group development : a study in group
theory. Human Relations, 41, 31‑640.
Van den
Broeck, H. (1990) Vorming in het
bedrijfsleven : strategische opties. M&O, 44, 398-412.
Walton, R.
(1985) From control to commitment
in the workplace. Harvard Business Review, 63, 77‑84.
Watzlawick,
P., Beavin, Janet & Jackson, Don D. (1967) Pragmatics of Human Communication. New York :
Norton.
Weick, K.
(1979²) The Social
Psychology of Organizing. New York : Random House.
Weisbord, M.
(1987) Productive Workplaces. San Francisco
: Jossey-Bass.
Winnicott, D.
(1980) Playing and reality. London :
Penguin Books.
Wittockx, H.
(1994) Leren over rationele en irrationele processen van organiseren gebruik
makend van de outdoor methode. In : Leren en Leven met Groepen. Alphen a/d
Rijn : Samsom, E1600/1-25.
[i]. Het is niet onze pretentie om hier een "ideale" outdoor benadering, of zelfs "onze" benadering te beschrijven, aangezien we onze ervaring hebben opgedaan in een samenwerking met tientallen outdoor trainers Ñ ervaren en minder ervaren, en we geleerd hebben de diversiteit in persoonlijke stijlen te appreci‘ren.
[ii]. Dat zowat elke activiteit het voorwerp kan zijn van een opdracht in een outdoor setting, wordt ge•llustreerd dat ook het huishoudelijk gebeuren kan worden ingeschakeld in het leerproces. Wanneer de workshop doorgaat in een herehoeve of kasteel zonder bediening of personeel, krijgen de deelnemers zelf de verantwoordelijkheid toegewezen voor de organisatie van het huishoudelijk gebeuren. De groep krijgt een budget en moet zelf bepalen hoe en volgens welke criteria het werk wordt georganiseerd. Deze "indoor" opdracht leent zich uitstekend om principes en processen van organiseren te illustreren en om te experimenteren met nieuwe concepten die men via de outdoor opdrachten heeft ontdekt.
[iii]. Het spreekt vanzelf dat de afhankelijkheid van de begeleiders een kenmerk is van een gezagssituatie en niet louter het gevolg van gedrag van de begeleiders. De macht van de trainers komt o.m. voort vanuit hun vertrouwdheid met de omgeving en de oefeningen, hun mogelijkheid om normerend en sanctionerend op te treden tegenover groepsleden, en hun functie als rolmodel. Het is dan ook niet mogelijk de afhankelijkheid van de deelnemers weg te nemen, maar begeleiders kunnen wel hun gezag gedeeltelijk overdragen aan de groep, en de groep tonen hoe hij met deze autoriteit kan omgaan.
[iv]. De ongestructureerde nabesprekingen kunnen ondersteund worden door het inlassen van korte lezingen die de aanwezige thema's systematisch conceptualiseren. Dit biedt de deelnemers een kader om hun ervaringen te integreren en helpt hen om hun eigen leerproces mee te sturen.
[v]. We zijn van
mening dat deze vraag veel te weinig gesteld wordt in VTO kringen. Er wordt
gemakshalve van uitgegaan dat het aanbieden van een inhoudelijk model of het
organiseren van een rollenspel voldoende is om de deelnemers te laten leren.
Het gevolg is dat sommige opleidingen die al meer dan twintig jaar het
bedrijfsleven teisteren, in die periode nauwelijks aangepast zijn, de moderne
lay-out natuurlijk uitgezonderd.
Binnen (een gedeelte van) de outdoor beweging is deze vraag erg levend. Gezien de beperkte beschikbaarheid van geschikte natuurlijke omgevingen moet voortdurend gezocht worden naar nieuwe opdrachten en oefeningen, waarbij nieuwe sporen niet worden geschuwd. Zo worden er nu outdoor workshops georganiseerd in een stadsomgeving, of worden de fysieke opdrachten gewoon binnen uitgevoerd.
[vi]. Ook hier willen we verwijzen naar het traditionele VTO proces, dat zich vaak voor deze kar laat spannen. Opleidingen moeten praktisch zijn, onmiddellijk bruikbaar en aan de deelnemers een "toolkit" leveren waarmee ze de bekende problemen uit de wereld kunnen helpen. Anders gezegd, opleidingen moeten medewerkers verlossen van de onzekerheid en complexiteit die het ondernemen eigen is.
[vii]. Het lijkt ons hier de plaats om op te merken dat vele van de zogenaamde "vernieuwingen" inzake het design van organisaties in feite terug te brengen zijn tot de benadering die in de jaren '50 en '60 in het Tavistock instituut tot ontwikkeling kwam.
[viii]. We verkiezen de term "potency" boven de meer populaire "empowerment" omdat hij verwijst naar een eigen innerlijke bron van kracht. "Empowerment" daarentegen, veronderstelt dat de macht van buitenaf moet worden toegevoegd. Het heeft in de praktijk bovendien een erg instrumentele bijklank gekregen.
[ix]. De auteurs verbergen niet dat zij de benadering uit het vierde kwadrant zien als de meest authentieke en waardevolle vorm van outdoor in een organisatiecontext.